Do you want to learn Dutch at Dutch Course Online? You have to pass this test first. If you do not pass this test, you will not be admitted to our Dutch courses. Please take note, you can take this test only one time! Please read all questions and answers Very Carefully!

We provide our placement test free of charge under these conditions: We allow you to take our Placement test only one time. If you like to take our Placement test more than one time you have to contact us and get our permission to take the test a second time for free. If you take our placement test a second or a third time without contacting us, we will charge you 25 euro for every time you have taken our test without our permission. In this case, you will receive an invoice by email you have provided us with the test. Please take note, we check all placement tests.

This test consists of 3 parts:

  1. Part 1 (14 questions)
  2. Part 2 (71 questions)
  3. Part 3 (64 questions)

Please take time for this test (2-3 hours).

Dutch Course Online TeacherTeacher Philippe

Dutch Course Online Placement Test B1 level Part 2 (70 questions)

1. Philippe ....
2. Hoe laat is het?

3. Welke zin is correct?
4. Waar (wonen) jij?
5. Mijn haar is .... Ik heb .... haar
6. Ik heb een afspraak  vrijdag
7. Ik heb een mooi klein ......
8. Welke zin is correct?
9. Zij kent .... mevrouw, maar .... mevrouw kent zij niet
10. Die hond is .... Dat is een .... hond
11. Dat is een mooi .......
12. Waar (komen) jij vandaan?
13. Welke zin is correct?
14. Ik heb een afspraak 10 uur
15. Welke zin is correct?
16. Welke zin is correct?
17. Ik woon Nederland
18. Mag ik uw pen even lenen? Ik ... iets opschrijven.
19. Welke zin is niet correct?
20. Welke zin is correct?
21. Welke zin is correct?
22. Welke vraag is correct?
23. Welke vraag is correct?
24. Welke zin is correct?
25. Welke zin is niet correct?
26. 82-5=
27. 229-8=
28. Hoe laat is het?

29. Hoe laat (vertrekken) de bus?
30. Welke zinnen zijn correct?
31. Philippe en Maurice .... .... .... docenten.
32. Werk jij?
33. Bent u mijn leraar?
34. Ziet u mij?
35. Heeft u het boek?
36. Heb jij de auto?
36. Heeft u suiker?
37. Heb jij werk?
38. Ziet u dat huis?